donderdag 30 juli 2015

Op tilt.

Ze ritselen keihard door hun kooi als ik langs loop. Angstvallig vliegen ze ieder een kant uit. De een met zijn neus tegen de tralies, de ander angstvallig in het schuilhokje. “Wat een angsthazen” denk ik hardop. Nee, zegt mijn vader “het zijn Cavia’s! “ Even voor de duidelijkheid mensen; Het zijn dus cavia’s. Cavia’s zonder leven. En wij mogen er op passen, terwijl mijn ouders dat eigenlijk zouden doen voor mijn zusje, en nu zit ik er mee. Vroeger hadden wij zelf ook cavia’s. We vonden ze helemaal het einde. Maar die van ons communiceerden dan ook de hele dag, met leuke geluidjes en knorretjes. Maar deze twee…. Ik bekijk ze eens goed vanaf de bank. Ze zitten gespannen op hun plekje, zonder zich te verroeren, naar één punt te kijken. Je moet het maar willen. En wanneer ik een appje ontvang, vliegen ze zowat door het dak! Ik schrik er zelf ook van. Pfff, zenuwlijers. Maar ja, als ik er zo over nadenk… ze komen uit een dierenwinkel, waar ze geboren zijn (…) en waar ze geen seconde rust hebben gehad, en waar allemaal brutale kindertjes en volwassenen met hun neus tegen de raampjes gedrukt zitten te kijken, te wijzen en te schreeuwen naar je. Grijpgrage handen met plakvingertjes komen je ruw uit je warme nestje plukken, en hardhandig wordt je dan geacht om door Jan en alleman geaaid te worden. (En dit moet je ook leuk vinden, en je sociaal gedragen, ook al knijpen ze je half fijn en pakken ze je verkeerd op, want anders willen de mensen je niet kopen en zul je gedoemd zijn je dagen te slijten in deze winkel, of erger). Mijn inlevingsvermogen gaat met me op de loop, en ik krijg spontaan een weemoedig gevoel. Die arme beesten zijn getraumatiseerd voor het leven!


Maar goed, wanneer ik mezelf herpakt heb, m’n neus gesnoten en een kop thee erbij gehaald heb, dwaalt opnieuw mijn blik af naar die reusachtige kooi in de hoek van de kamer. Het laat me niet los. Ik stel me voor, hoe het moet zijn om je dagen te slijten in een kooitje. De hele dag niks doen, leven in angst om geaaid of geknuffeld te worden, en alleen maar rondjes lopen in die kooi van 1 meter bij 50 cm. Je krijgt als je geluk hebt je natje en je droogje, en als het mee zit wordt je kooi ook nog af en toe verschoont. Maar met kinderen weet je het natuurlijk nooit, dus grote kans dat je nog een dag of twee langer in je eigen schijt mag zitten te stinken, zonder dat er iemand is die zich om je bekommert. Het lijkt me vreselijk! Ik voel spontaan een depressie opkomen. En als ze dan ook nog eens een jaar of 3, 4 mee gaan. Hoeveel dagen zijn dat wel niet? Wat voor een leven heb je dan?? Zonder de frisse wind, de bossen, de andere dieren, en nieuwe verstopplekjes om te ontdekken. Dingen die ze anders gewoon gehad zouden hebben, zonder die kooi en zonder mensen die zo nodig een diertje in huis moeten halen voor hun eigen “plezier”. (Nou, wat een plezier zo’n zenuwpees) 



Ik nies. Niet moeten doen. De kooi is een explosie van herrie, door krabbelende nageltjes en rondvliegende pootjes en haren. Allemachies. Het irriteert me haast. Een uur geleden zat ik nog met eentje op schoot, omdat ik de illusie had dat ik ze wel tam kon knuffelen in een paar minuten, maar niets bleek minder waar. Dat heeft nog een lange weg te gaan. Ter plekke heb ik toen maar besloten dat één overgevoelig en overprikkeld kind “tam knuffelen” wel genoeg is. Om nog maar te zwijgen over de vraag om die zielige beestjes zelf ooit aan te schaffen. Ik vraag me sterk af of dat mijn roeping kan zijn. Ik knuffel al zo veel…. Mijn armen zijn er moe van na een lange dag zorgen. En dan moet ik ook nog een (spastische) cavia gaan liefkozen. Nou goed, voor een week kan ik het misschien nog wel opbrengen. Misschien.




Als ik ze niet op de fiets zet. De Vrijheid tegemoet!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ik vind het leuk als je een reactie achterlaat.